‘Sommige dingen doen familiebedrijven heel goed. En andere dingen doen ze niet.’

Professor Pursey Heugens over wat familiebedrijven zo succesvol maakt

‘Familiebedrijven presteren vaak beter dan andere, vergelijkbare bedrijven. Ze zijn gemiddeld 7% meer waard én boeken meer winst met hetzelfde vermogen’, vertelt Pursey Heugens, professor Organisatietheorie aan de Erasmus Universiteit. ‘En dat is best verbazingwekkend, want ze investeren minder dan andere bedrijven in bijvoorbeeld werkgeverschap. Terwijl zulke investeringen vaak juist tot een hoger rendement leiden.’

Familiebedrijven doen dus íets heel goed – maar wat precies? Dat is volgens Heugens de Heilige Graal in het onderzoek naar dit soort bedrijven. ‘Het antwoord hebben we nog niet, maar wel al een richting. We zien dat familiebedrijven sommige dingen niet of nauwelijks doen, en andere juist heel effectief.’

Geld gaat naar de inhoud

Eerst de dingen die ze níet doen. Heugens: ‘Familiebedrijven, ook de grote, hebben om te beginnen veel minder aandacht voor diversiteit, flexibilisering of emancipatie dan andere bedrijven. En van alle familiebedrijven heeft maar 45% een officieel systeem voor vitaliteit en veiligheid. Bij overige bedrijven is dat 70%. Mijn ervaring is dat je bijna geen antwoord krijgt, als je ze vraagt waarom. Ik vermoed zelf dat het komt omdat ze er in veel gevallen gewoon geen geld aan uit willen geven. Bij familiebedrijven beseft de top dat het om hun eigen geld gaat. En dat geven ze blijkbaar liever direct uit aan de inhoud. Daarmee nemen ze ook meteen een risico, omdat ze op deze manier niet echt vooroplopen als het gaat om het aantrekken van jong talent.’

'Familiebedrijven zijn gemiddeld 7% meer waard én boeken meer winst met hetzelfde vermogen.'

Consequent conservatief

‘Wat familiebedrijven ook niet doen, is vooroplopen als het om vernieuwing gaat. Het zijn vaak relatief conservatieve organisaties. Tijdens perioden van laagconjunctuur is dat een fraaie eigenschap, want familiebedrijven hebben daardoor vaak wel wat spek op de botten, en hebben geen wilde gokken gedaan die ze dan moeten bezuren. Als de economie weer aantrekt, is het vaak een nadeel, omdat ze dan ook relatief minder makkelijk inhaken op de groei. Ze zijn in de slechte tijden immers minder genoodzaakt om te innoveren of zichzelf opnieuw uit te vinden.’


‘Dat conservatieve is een vrij constant gegeven. Je zou misschien denken dat familiebedrijven door hun conservatisme steeds verder in het nadeel raken, met alle aandacht die er tegenwoordig is voor disruptieve innovatie en snel ontwikkelende markten. Maar in de praktijk is de positie van familiebedrijven de laatste decennia niet fundamenteel veranderd, omdat de wereld niet heel erg is veranderd. We leven in turbulente tijden, maar dat was dertig, veertig jaar geleden ook al zo. Naar president Nixon werd net zo gekeken als nu naar Trump.’

Efficiënt investeren

Ze investeren dus weinig en zijn behoorlijk behoudend. Wat doen ze dan wel, waardoor ze zo succesvol zijn? Heugens: ‘Er is één ding waarin familiebedrijven echt uitblinken. Namelijk: bijzonder efficiënt investeren. Ze geven bijvoorbeeld relatief weinig uit aan R&D, maar het is wél vaak raak, als ze er toch geld in steken. Daarin zijn ze veel efficiënter dan andere bedrijven. Dat heeft verschillende redenen. Wat in ieder geval helpt, is dat de leiding van het bedrijf vaak nog best veel tijd doorbrengt met zijn klanten, in plaats van met aandeelhouders. CEO’s van andere ondernemingen zijn vaak veel tijd kwijt met hun beleid uitleggen aan hun investeerders, en kunnen zich daardoor minder focussen op hun bedrijf. En hun bedrijven kunnen zich dan weer minder focussen op de klant, terwijl dat juist helpt bij innovatie.’


‘Doordat mensen lang bij familiebedrijven werken, zien leveranciers en afnemers ook vaak dezelfde gezichten. Dat helpt bij innovatie in de keten. Die is vaak minder gericht op het product, maar meer op het proces, bijvoorbeeld van grondstof tot eindgebruiker. Als je alle stapjes in zo’n proces beter op elkaar af wilt stemmen, gaat dat nu eenmaal het beste met mensen en partijen die je kent. In sectoren met lange ketens, met veel onderlinge afhankelijkheid, vind je dan ook vaak veel familiebedrijven.’

'We zien dat familiebedrijven sommige dingen niet of nauwelijks doen, en andere juist heel effectief.’

Sturen op stabiliteit

‘Als familiebedrijven wél op het product innoveren, zijn het vaak geen extreem spectaculaire vindingen die ze doen. Ze komen zelden met de grote disruptieve veranderingen. En dat is ook logisch, want dat soort innovaties vraagt grote investeringen die óf goed uitpakken, óf helemaal fout. Die investeringen worden vaak gedaan door clubs die gesteund worden door grote institutionele beleggers. Die kunnen het zich veroorloven dat twintig van hun bedrijven failliet gaan, als er dan ook maar één een echt grote klapper maakt. Maar met een familiebedrijf gok je niet.’


‘Ik geloof dat veel familiebedrijven dat heel goed begrijpen. En ze dat daarom de stabiliteit van relaties zo’n groot goed vinden. Ze sturen veel meer op loyaliteit dan andere bedrijven. Dat levert relaties op waarin er veel vertrouwen is. In het bedrijf zelf, en naar buiten. Het draait minder om snel geld verdienen, zekerheid is er een groot goed. Dat is om heel veel redenen prettig. Bijvoorbeeld omdat banken het waarderen, en familiebedrijven dus relatief eenvoudig krediet kunnen krijgen.’

Volgende artikel:

'Een of twee weken per jaar werk ik
áán de onderneming in plaats van erin'